Hieronder een hele goede recensie en verslag van het concert door OOR journalist TOM ENGELSHOVEN. Zie ook www.oor.nl
En daar, aan het eind van een overrompelende show, net voor hij 50.000 kelen oproept Happy Birthday te zingen voor de jarige Anton Corbijn, dankt Bono OOR (en oud OOR-journalist Bert van de Kamp in het bijzonder) voor het gestelde vertrouwen in zijn band vanaf hun begindagen. Van de Kamp, zo suggereert Bono, had meer vertrouwen in U2 dan U2 indertijd zelf had. Natuurlijk was eind jaren zeventig nog niet te bevroeden waartoe een gerijpt U2 allemaal in staat is. De 50.000 gelukkigen in de Arena kunnen dat nu wel. Zij hebben zojuist kunnen genieten van het volle potentieel van de vier Dubliners. De visionaire blik van van de Kamp zal waarschijnlijk hoogstens een glimp geweest zijn van wat de groep anno 2005 letterlijk op de Amsterdamse mat legt, maar hij verdient alle eer voor zijn profetische inschatting. Zo goed als Bono, The Edge, Adam Clayton en Larry Mullen jr. nu zijn, zijn ze nog nooit geweest en het is maar de vraag of ze ooit nog beter zullen worden. Zoals het ook de vraag is of er ooit betere stadionconcerten gegeven zijn dan deze vanavond (Springsteen met zijn E-Street Band is de enige echte concurrent, The Rolling Stones zijn te oud aan het worden en Coldplay zit echt nog maar op het vinkentouw). De vraag is ook of het nog beter kan. Nog imposanter, nog specialer. Bezoekers van de vrijdag- en zaterdagavond kunnen zich in dit opzicht alvast verheugen. Want het is top, deze U2-show. Alle clichés over geslaagde stadionconcerten kunnen uit de kast (ondanks de massaliteit toch intiem, ondanks alle bekende hits toch verrassend, ineens doe je mee aan de community singing louter omdat Bono dat wil, en wat is het mooi om al die handen op het veld en tribunes synchroon te zien zwaaien als halmen in de wind, iets dat je normaal eigenlijk een beetje eng vindt, dat rijmt). Maar hoeveel clichés er ook door je heen razen - U2, en vooral Bono, is een meester in clichés - je houdt steeds het gevoel iets heel bijzonders mee te maken. De show is rijk aan ideeën. We zien bijvoorbeeld vele Bono’s, en toch ook weer telkens dezelfde. We zien Bono de volksmenner en Bono de romanticus (betoverend dansend met een uit het publiek gehaalde jonge vrouw, die ontroert door haar ontdaanheid, zijn handkus ter afscheid is van grote schoonheid). We zien Bono de Politicus, Bono de Gelovige. Maar het meest zien we Bono de Gek, Bono de Lefgozer, de Showbink, het rock & roll-dier. Want dat is hij met zijn grote ego en zijn kleine hartje natuurlijk allereerst: Podiumbeest, als een vis in het water temidden van zoveel aandacht. En we zien zelfs, tijdens het hoogtepunt van de avond, Bono de operazanger, in het aan zijn overleden vader Bob opgedragen Sometimes You Can’t Make It On Your Own. Hier ontmoet Ierse soul Pavarotti. Mooi is het simpele decor. Een roodzwarte (Vertigo) wand, en twee krullende plankieren, waarover de bandleden ver het publiek in kunnen lopen. Als The Edge dat doet, dan is het om te soleren. Zijn aanwezigheid binnen de groep is paradoxaal: zijn spel draagt U2, maar hij blijft de bescheidenheid zelve. Hij is de perfecte dienaar die zich nooit laat voorstaan op zijn brille, maar laat hem ondertussen maar schuiven op die gitaar. Mooi is het ook als Adam Clayton zich, met de minzame rust van een inmiddels grijs geworden os, op het plankier begeeft, en daar robuust door de hoeven zakt voor een zoveelste ronkende baspartij. Mooi, doeltreffend vooral, en bijzonder goed in het toewerken naar door Bono te voltooien climaxen, is de rol van drummer Larry Mullen. We twijfelen even: is hij, of bassist Clayton de Charlie Watts (lees: stille kracht) van U2? Of is het toch The Edge? De niet stille kracht van U2 is in ieder geval Bono. Die zich in Beautiful Day even laat ontvallen dat Amsterdam geniet als Ajax scoort. Die City Of Blinding Lights eindigt met een fragmentje In The Port Of Amsterdam (van Jacques Brel) en die de finale versie van Vertigo zal opluisteren met een stukje Radar Love (van Golden Earring). Hij is het ook die het concert afsluit met woorden als U2 Welcome Home, omdat Nederland hem zo aan het hart gaat (We salute you, the Netherlands). De charmeur. Maar ook de agitator. Die zich in Sunday Bloody Sunday al trommelend een haarband aanmeet met daarop de tekst Coexist, waarbij hij de symbolen van christendom, islam en jodendom verenigt onder de noemer: zonen van Abraham. Die onze regering waarschuwt goed te luisteren naar het volk en geen domme dingen te doen (Jan Peter Balkenende zij gewaarschuwd, Bono spreekt geen vertrouwen in je uit) en die het nummer Running To Stand Still opdraagt aan Theo Van Gogh, Pim Fortuyn en ‘the city of London’. Hij spreekt de hoop uit dat ‘we don’t become a monster to defeat a monster’. Kortom: Bono is omnipresent. We hebben hem zien knielen in Bullet The Blue Sky, dat was zijn religieuze ik. We zien zijn ironische gedaante, met generaalsuniform en pet, en een videowall die plots veel minder sober is, in de eerste toegift, wanneer nummers van Achtung Baby als Zooropa en The Fly aan bod komen. Dan is U2 ineens een heftig gitaarbandje dat experimenteert met dansbeats. En daar zijn ze erg overtuigend in. De zaal, pardon het volle stadion, gaat volkomen uit het dak. Eén woord, maar dan twee maal, is voor deze avond van toepassing: bijzonder bijzonder. Een feest, een eredienst aan wat goed is aan het leven. Een triomf op elke vorm van cynisme. Bono is okay. Zeer. Geen twijfel over mogelijk. TOM ENGELSHOVEN | |